Foto: Publiek domein
wetenschap

‘Deradicalisering van tienermeisjes is mogelijk’

Sanne Dobber,
29 mei 2018 - 09:50

Hoe deradicaliseer je radicale jonge vrouwelijk Syriëgangers? Hoe maak je ze weerbaar tegen extremistische invloeden? Gastonderzoeker en socioloog Benaissa Hallich en bijzonder UvA-hoogleraar radicaliseringstudies Bertjan Doosje onderzochten een eenjarig deradicaliseringsprogramma. Hallich: ‘De meisjes voelen zich buitengesloten en zijn serieus met het geloof bezig. Radicalen loeren hierop om ze te rekruteren.’

Hallich observeerde acht maanden de interacties tussen een familiecoach, vijf islamitische meisjes van 14 tot 17 jaar, en hun ouders in het deradicaliseringsprogramma Diamant-plus. Hij interviewde de meisjes en ouders tijdens en aan het einde van het programma. Het doel van Diamant-plus was om de vijf Marokkaans-Nederlandse islamitische meisjes inzicht te geven in hun eigen identiteit en de kenmerken van een radicale ideologie.

Foto: LinkedIn
Benaissa Hallich

Waarom dit onderzoek?

‘Er was geen training of onderzoek naar deradicalisering beschikbaar. De inlichtingendienst had informatie over vijf geradicaliseerde meisjes. Drie van hen zijn tegengehouden op het vliegveld en twee leken te radicaliseren en waren mogelijk hun uitreis naar Syrië aan het plannen. De gemeente zat met de handen in het haar: wat moeten we doen? Wij raakten betrokken om het effect van de training te evalueren.’

 

Voor wat voor soort meisjes is dit programma?

‘De meesten leven in armoede en hun ouders zijn slecht geïntegreerd en hebben zware problemen. Concurreren met leeftijdsgenoten door dure kleding is voor de meisjes onmogelijk. Ze voelen zich geïsoleerd, onzeker en zijn zoekend naar een identiteit. Geloof biedt dan houvast. Een nikab dragen kost weinig. De meisjes komen terecht bij een groep met radicale opvattingen, die liefde, respect en aandacht geeft. Maar ook ontspanning, gezelligheid en mogelijkheden om over de islam te leren. Kortom, een identiteit en het gevoel erbij te horen.’

‘Een sterke identiteit maakt je weerbaarder: weet wie je bent, heb zelfvertrouwen en wees trots op je achtergrond’

Hoe zag de training eruit?

‘Gedurende een jaar bezocht een familiecoach, een hulpverlener, de meisjes 1 of 2 keer per week thuis en was er regelmatig telefonisch contact. De eerste twee tot vier maanden lag de focus op het opbouwen van een vertrouwensband. De familiecoach bood een luisterend oor aan de meisjes. Zij hadden opgekropte frustratie en spijbelden. Ze leerden over verschillende islamitische stromingen om ze bewust te maken van radicale ideeën en om ze alternatieven te bieden. Ouders kregen hulp bij het oplossen van praktische problemen zoals huisvesting, schulden en werden geholpen de weg te vinden in de Nederlandse bureaucratie.’

 

Wat is het belangrijkste resultaat van het onderzoek?

‘Het proces van deradicalisering is mogelijk. Erbij horen, identiteit en omgaan met conflicten spelen daarbij een belangrijke rol. Dat de meisjes naar school gaan, of een baan hebben, is belangrijk: ze hebben dan het gevoel erbij te horen. Een sterke identiteit maakt je weerbaarder: weet wie je bent, heb zelfvertrouwen en wees trots op je achtergrond. Niet de deur achter je dichtslaan, maar luisteren en praten: dat zorgt ervoor dat je conflicten oplost en niet vermijdt.’

 

Wat is u het meest bijgebleven?

‘Sommige meisjes hadden een relatie met een geradicaliseerde jongen. Ze waren zo gehecht aan die jongen. Als hij zou zeggen: “Ga mee naar Syrië,” dan zouden ze dat doen. Ouders gingen kapot toen ze de melding kregen dat hun dochter mogelijk naar Syrië was vertrokken. Vandaag zit je nog samen te eten en morgen is je dochter in Syrië. De jongens pasten de loverboy-methode toe: het meisje onthechten van haar familie om macht te krijgen. De familiecoach probeerde juist de band tussen dochter en ouders te verbeteren. Betere familierelaties verkleinen de kans op radicalisering. Gelukkig is geen van de meisjes uiteindelijk vertrokken naar Syrië.’

 

Heeft het onderzoek geleid tot nieuwe initiatieven?

‘Nee, er zijn geen concrete initiatieven. Dat vind ik jammer. Deradicalisering blijft actueel, denk maar aan teruggekeerde Syriëgangers. De overheid zou een langetermijnvisie op interventies, zoals een training, moeten ontwikkelen. Onderzoek is nodig om de effectiviteit vast te stellen. Dan heb je voor de toekomst trainingen klaar liggen die wetenschappelijk zijn onderzocht. Ik ben nu met een paar collega’s, onder wie Bertjan Doosje, bezig om een vragenlijst te ontwikkelen om de mate van radicalisering en weerbaarheid vast te stellen. Zo kunnen geradicaliseerde personen sneller geïdentificeerd en geholpen worden.’